Geschiedenis van de Amsterdamse Tram
De eerste paardentram
Op 3 juni 1875 werd de allereerste paardentramlijn in Amsterdam geopend door de particuliere Amsterdamsche Omnibus Maatschappij (AOM). Deze historische lijn verbond de Plantage met het Leidscheplein. Aan het eind van de 19e eeuw groeide de Dam uit tot het absolute middelpunt van dit groeiende paardentramnetwerk.
Gemeentetram & Elektrificatie
Per 1 januari 1900 nam de gemeente Amsterdam de AOM over, waarna het bedrijf verderging als de Gemeentetram Amsterdam (GTA). Er werd direct gestart met een gigantisch moderniseringsproject. De afwijkende spoorbreedte (1422 mm) van de paardentram werd omgebouwd naar normaalspoor (1435 mm) en de lijnen werden geëlektrificeerd. Lijn 10 was in 1900 de allereerste elektrische tramlijn van de stad. De allerlaatste paardentram reed in 1916 tussen het Nassauplein en Sloterdijk.
Grootste omvang van het netwerk
In het jaar 1931 bereikte het Amsterdamse tramnetwerk zijn grootste omvang met maar liefst 25 actieve tramlijnen. Vrijwel alle wijken in de gebouwde stad waren per tram bereikbaar. Het wagenpark bestond destijds uit 445 motorwagens en zo'n 350 bijwagens, wat destijds allemaal tweeassers met een houten opbouw waren. Door de economische crisis in de jaren '30 moest de dienstregeling daarna helaas worden ingekrompen.
Oorlogsjaren en de oprichting van het GVB
Tijdens de Tweede Wereldoorlog fuseerde de Gemeentetram op 1 januari 1943 met de Gemeenteveren tot het Gemeentevervoerbedrijf (GVB). De oorlogsjaren brachten extreme drukte en grote schaarste met zich mee. Diverse lijnen moesten worden gestaakt. In oktober 1944 werd het trampark volledig stilgelegd door een acute kolenschaarste. Veel Amsterdamse trams werden in die periode door de bezetter naar het oosten afgevoerd. In juni 1945 startte de exploitatie langzaam weer op.
De komst van de Drieassers en de busdreiging
Tussen 1948 en 1950 kwamen de legendarische Drieassers in dienst, gebouwd door Werkspoor. Er werden zestig motorwagens en vijftig bijwagens aangeschaft. Ondanks deze investering liep in de jaren '50 en '60 de belangstelling voor de tram terug door de opkomst van de auto. Diverse lijnen (waaronder lijn 11, 12, 17 en 18) werden tijdelijk of definitief vervangen door busdiensten. Alleen in de smalle straten zoals de Leidsestraat en de Utrechtsestraat bleef de tram onmisbaar, omdat bussen daar simpelweg te breed voor waren.
Gelede trams en moderne uitbreidingen
Vanaf 1957 braken er betere tijden aan met de introductie van de moderne gelede trams (harmonica-trams). Tussen 1957 en 1968 werden er 160 van deze nieuwe voertuigen aangeschaft, wat zorgde voor het definitieve einde van de oude vooroorlogse tweeassers. In de decennia daarna groeide de tram weer volop mee met uitbreidingen naar Osdorp, Sloterdijk, Diemen en de nieuwbouwwijken in Amstelveen en IJburg. Vandaag de dag is het Amsterdamse tramnet het grootste van Nederland en behoort het nog altijd tot de belangrijkste netwerken van Europa.